Navigatie

De afbeelding is een uitsnede van een door A. Tideman ingekleurde kaart. Het is een kopie  van de kaart die Mathurin Guitet tussen 1704 en 1718 van de Friese kust en de Waddeneilanden maakte.  Guitet bracht als koopman en cartograaf in dienst van de Friese admiraliteit in de eerste twee decennia van de achttiende eeuw de Noord-Nederlandse en Noord-Duitse kusten nauwkeurig in beeld. Zijn kaarten waren de eerste betrouwbare kaarten van het gebied, waarop Guitet niet alleen de plaats van de zandbanken, maar ook de betonning en takkenbossen intekende.

Collectie Amelander Musea.

Van de sterren naar het GPS

De veiligste manier om vroeger aan te komen op de plek waar je naar toe wilt was door langs de kust te varen. Dan kon je als zeeman aan de landmerken zien waar je was. Bodemmonsters nemen of de waterdiepte meten - een aanwijzing dat er land in de buurt is - waren andere beproefde methodes. Het werd een stuk lastiger als je 's nachts voer. Dan was je afhankelijk van de sterren, als die bij helder tenminste zichtbaar waren.

De navigatie werd nauwkeuriger toen zeelieden ontdekten dat je door de hoek tussen de zon en het aardoppervlak te meten je positie op een breedtegraad op een zeekaart kon bepalen. De Jakobsstaf is een de eerste instrumenten die hiervoor werd gebruikt. Dan moest je wel weten op welke plek van de globe je ongeveer was, want breedtegraden omspannen de hele wereldbol, en een projectie daarvan op een kaart. De missing link was een nauwkeurige tijdsbepaling. In het derde kwart van 18e eeuw werden de chronometers zo nauwkeurig dat je door op het juiste tijdstip een zonnetje te schieten en in een tabel te kijken ook kon zien op welke lengtegraad je voer. Het punt waar de lengte-en breedtegraad elkaar op de kaart kruisten, was je positie op de zee of de oceaan.

Met de ontdekking van het kompas rond 1300 en steeds betrouwbaardere zeekaarten werd de plaatsbepaling een stuk nauwkeuriger. Je wist dan bij benadering in welke richting je voer en als je dan vanuit je laatst bekende positie bijhield in welke richting je voer, de richting van de wind en de stroom goed inschatte, én de snelheid van je schip noteerde, wist je ongeveer waar je was. Varen op gegist bestek, heet dat. Een instrument waarmee je de snelheid kon meten was het scheepslog. Dat is een vin die met een wartel aan een draad die met een klok aan boord is verbonden. Daarop konden zeelieden de snelheid aflezen. Daarbij moesten ze wel rekening houden met de stroom, want de snelheid door het water en die over de grond kan flink uiteenlopen.

Hoewel de navigatie-instrumenten steeds beter werden hebben zeelieden tot diep in de vorige eeuw zo moeten navigeren. Met de komst van radiobakens na de Tweede Wereldoorlog  waarmee een kruispeiling kon worden gemaakt  - in ons deel van de wereld het commerciële Decca-systeem - werd navigeren een fluitje van een cent. De onnauwkeurigheid kon echter wel tot enkele tientallen meters oplopen.  Pas in 2000 werd het systeem vervangen door het Global Positioning System (GPS). Afhankelijk van het aantal satellieten in de buurt weet de zeeman van nu tot op 10 centimeter nauwkeurig waar hij zich bevindt. Maar nog steeds leren studenten van het zeevaartscholen de klassieke navigatie. Want elektronica kan kapot en ook de stroom aan boord kan uitvallen. 

Expositie

In het Maritiem Centrum Abraham Fock in Hollum is in mei 2018 de expositie Navigeren op de sterren geopend. Zie de pagina exposities.


Collectie


Navigatie-instrumenten

Jakobsstaf

Sextant

Sextant

Logvin

Wartel van scheepslog

Klok van scheepslog

Verrekijker

Parallel-liniaal

Kompas