Riekele Prins

Riekele Prins (1905-1954)

 

Hij maakte etsen zoals een poëet zijn verzen schrijft, schreef uitgever Lykele Jansma uit Buitenpost in 1952 in het boek Riekele Prins, Etser van het Groninger landschap, waarin tweehonderd etsen van Prins staan afgedrukt. In hetzelfde jaar, twee jaar voor zijn overlijden, kreeg Riekele Prins de Culturele Prijs van de provincie Groningen toegekend.

De carrière van Riekele Prins als kunstenaar had toen zijn hoogtepunt bereikt, maar de weg ernaar toe was moeilijk geweest.

Riekele Prins was een van de twaalf kinderen van Sytze Sjoerds Prins uit Zwaagwesteinde en Jantje van Nimwegen uit Twijzel. Riekele kwam in 1905 in Kollumerzwaag ter wereld. In dat jaar verhuisde het gezin naar Bedum, waar vader Sytze vanaf 1895 als seizoenarbeider bij de vlasfabriek Jakob Aalfs werkte en waar hij in 1905 een vaste baan en een woning kreeg. Na de lagere school kon Riekele daar in 1917 ook aan de slag, als machinist van de stoommachine. Hij zou daar tot de sluiting van de fabriek in 1931 blijven werken.

In het midden van de jaren '20 maakt Riekele zijn eerste schilderijen. Aan het eind van dat decennium krijgt Riekele zijn eerste tekenlessen van Ties Allersma. Het werk van Riekele Prins wordt krachtiger wanneer hij in de leer gaat bij Jan Derksen Staats aan het Martinikerkhof in Groningen. Die lessen volgt hij in de avonduren, samen met de architect Herman van Wissen. Riekele en Herman worden vrienden. In die jaren wisselt Riekele periodes van gedwongen werkloosheid af met baantjes als losarbeider en stratenmaker.

In 1934 is Riekele Prins, samen met Jan Derksen Staats en Herman van Wissen een van de oprichters van de Groninger kunstkring De Regenboog. Riekele krijgt meer zelfvertrouwen en begint zichzelf steeds meer als kunstenaar te zien. Hij woont dan inmiddels in Bedum, waar hij zich in 1935 in een atelier als schilder/etser vestigde. In het eerste jaar van de Tweede Wereldoorlog vinden we Riekele Prins terug in Groningen, waar hij door bemiddeling van Herman van Wissen de beschikking krijgt over de Friese tjalk Adriaan in het Boterdiep, tegenover het huis van zijn ouders. Twee jaar later trouwt hij met Paulina Niezen, die wat meer structuur in zijn leven bracht.

Na de Tweede Wereldoorlog stapte de oude kern van de Regenboog, inclusief Prins, over naar de Ploeg. Daar raakte Riekele bevriend met Ploeglid van eerste uur Jan Altink, met wie hij in 1949 een reis naar België maakte.

In de laatste jaren voor zijn dood was Riekele Prins succesvol. Hij had een groep vaste afnemers van zijn werk, maakte in opdracht van uitgeverij J.B. Wolters zeven schoolplaten, er verscheen een boek met zijn werk en als hoogtepunt was er de toekenning van de Culturele prijs van de provincie Groningen.

Na zijn dood bleef het niet stil rond Riekele Prins. In Hoogkerk, Bedum en Ten Boer werden straten naar hem vernoemd. Zijn werk is nog te zien geweest op elf tentoonstellingen. De laatste keer was in 1905 in Appingedam.

De Amelander Musea hebben een werk van Riekele Prins in de collectie. Daarop is een deel van de molen en de katholieke kerk te zien.

Riekele Prins, Gezicht op Nes vanaf de molen

Collectie Amelander Musea